Met hoofddoek geen contract bij een bakkerij

Een studente heeft sinds een paar weken een bijbaantje bij een bakkerij. Omdat er snel behoefte was aan een zaterdaghulp is er niet direct een contract opgemaakt. Na een maand wordt haar gevraagd haar gegevens aan te leveren om een contract op te maken. Kort daarna roept de manager van de bakkerij haar bij zich. Hij vertelt haar tot haar stomme verbazing dat hij van de eigenaar van de bakkerij moet zeggen dat zij daar niet meer kan werken. Een reden weet hij niet te geven. Zij vraagt hem of het om haar hoofddoek gaat. Hij geeft toe dat dat de reden is. De eigenaar heeft hem gezegd dat een medewerker met een hoofddoek een populatie klanten aantrekt die hij niet in zijn winkel wil hebben, hij wil de winkel ‘hoog’ houden.

De studente is enorm gekwetst. Zij heeft het naar haar zin in de winkel en op haar functioneren is niets aan te merken. Het gaat dus blijkbaar alleen om haar hoofddoek. Bij de gegevens om haar contract in orde te maken, moest zij ook een kopie van haar paspoort aanleveren. Op de foto in haar paspoort staat zij met een hoofddoek. Zo is dit blijkbaar bij de eigenaresse van de bakkerij, die meerdere filialen bezit, bekend geworden.

De studente neemt contact op met het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA). Het MDRA bereidt de studente erop voor dat de kans klein is dat de bakkerij aan het MDRA zal toegeven dat haar hoofddoek iets met het ontslag te maken heeft. De studente heeft zelf al actie genomen. Zij is nog eens terug gegaan naar de manager en heeft hem verteld dat zij een klacht in gaat dienen bij het MDRA. Zij heeft toen geconstateerd dat er opnieuw een zaterdaghulp werd gevraagd. De bakkerij kan nu in ieder geval niet meer aanvoeren dat zij is ontslagen omdat de omzet is teruggelopen en er minder personeel nodig is.

Het MDRA dient een klacht in bij de bakkerij. De eigenaresse van de bakkerij schrijft in haar reactie dat de manager vond dat de studente niet goed functioneerde. Zij constateert dat de studente hier blijkbaar niet mee om kon gaan en nu in de slachtofferrol kruipt. De studente is zeer ontstemd over deze reactie: bezijden de waarheid en een steek onder de gordel. Zij zoekt contact met de manager, maar deze blijkt voor langere tijd in het buitenland te zijn. Inmiddels heeft de studente ook ontdekt dat aan nieuwe sollicitanten wordt gevraagd of zij van plan zijn een hoofddoek te gaan dragen in de winkel.

Ook het MDRA vindt de reactie van de bakkerij beneden alle peil en is van mening dat de opgegeven reden voor het ontslag wel heel sterk afwijkt van het verhaal van de studente. In overleg met de studente en haar moeder wordt besloten de zaak voor te leggen aan de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). Dan zou ook de manager bevraagd kunnen worden over de ware reden voor het ontslag. Het MDRA stuurt de bakkerij een brief waarin staat waarom besloten is een oordeel te vragen aan de CGB. Een reactie hierop laat niet lang op zich wachten. De eigenaresse belt naar het MDRA en zegt dat zij een gesprek wil met de studente: zij wil haar opnieuw haar zaterdagbaantje aanbieden. Ook zal zij er alsnog voor zorgen dat de studente haar loon krijgt uitbetaald. De eigenaresse van de bakkerij kiest blijkbaar eieren voor haar geld en wil het niet tot een oordeel van de CGB laten komen.

Afgesproken wordt dat de studente samen met haar moeder, die nauw bij de zaak betrokken is, in gesprek gaat met de bakkerij. Moeder en dochter gaan het gesprek in met de intentie in om de waarheid te horen en excuses te ontvangen. Zij willen de eigenaresse vooral duidelijk maken hoe diep de studente geraakt is door het gebeuren, met als ‘toetje’ nog de brief waarin gesteld wordt dat zij slecht zou hebben gefunctioneerd.

Helaas verloopt het gesprek niet bevredigend. De eigenaresse heeft weinig begrip voor de gevoelens die dit teweeg heeft gebracht bij cliënte. Zij biedt wel haar excuses aan, maar toont geen erkenning voor de voor mate waarin de studente gekwetst is. Evenals in de eerdere brief van het MDRA aan de bakkerij, leggen moeder en dochter nog eens uit waarom de studente een hoofddoek draagt en dat dit een onderdeel is van haar godsdienst. De eigenaresse blijft erbij dat zij geen personeel in de winkel wil met een hoofddoek en dat zij dit geen discriminatie op grond van godsdienst vindt. Toch blijft zij ook vragen aan de studente of zij nu wel of niet weer aan de slag gaat in de winkel. Ze accepteert dat zij het dragen van een hoofddoek niet mag verbieden, maar ze zegt erbij dat ze erop tegen blijft dat er een hoofddoek door het personeel gedragen wordt. Vervelend is ook dat eigenaresse niet wil ingaan op de reden voor het ontslag.

De studente vertelt het MDRA dat zij zich afvraagt of zij nog voor een werkgever kan werken die zo negatief over haar, en haar hoofddoek, denkt. Het MDRA neemt contact op met de eigenaresse en spreekt haar ongenoegen uit over bepaalde zaken die in het gesprek zijn gezegd. De eigenaresse blijft eraan vasthouden dat dit het haar eigen mening is en dat zij de vrijheid heeft die te verkondigen. Het MDRA wijst de eigenaresse nog eens op de wetgeving, dat zij haar eigen mening privé moet houden en dat het zeker voor een werkgever geen pas geeft om in een werksituatie te blijven zeggen dat zij tegen hoofddoeken is. Het MDRA spreekt haar zorgen uit over het opnieuw in dienst treden van de studente als de houding van de werkgever zo afwijzend blijft. Ook de eigenaresse ziet in dat de werkrelatie inmiddels wel verstoord is. Indien de studente besluit om niet meer terug te komen, dan biedt zij de studente, naast het salaris waar zij nog recht op heeft, een extra maandsalaris aan. De eigenaresse belooft nieuwe sollicitanten niet af te wijzen op hun hoofddoek en ook geen vragen hierover te stellen tijdens een sollicitatiegesprek.

De studente besluit dat zij niet meer bij de bakkerij wil werken; zij zal zich daar nooit meer op haar gemak voelen. Ook wijst zij het aanbod van een extra maandsalaris af, zij voelt dat als ‘afkopen’. Het MDRA brengt deze boodschap over aan de eigenaresse. Het MDRA benadrukt nog eens hoe zeer de eigenaresse de studente heeft gekwetst en dat zij de extra maand salaris voelt als een belediging en deze niet zal accepteren. Omdat de studente deze pijnlijke kwestie achter zich wil laten, is besloten de CGB niet om een oordeel te vragen. Naar de mening van het MDRA mag de bakkerij daar blij om zijn, want naar verwachting zou een oordeel van de CGB zeker niet gunstig voor de bakkerij zijn uitgevallen.

-A +A