Woningvereniging maakt verboden onderscheid op grond van burgerlijke staat

Klacht
Een lid van een Amsterdamse coöperatieve woningvereniging neemt contact op met het MDRA. De vereniging verhuurt woningen aan haar leden. De woningvereniging heeft een ledenstop, maar die ledenstop geldt niet voor iedereen. Als nieuwe leden worden wel gehuwde of geregistreerde partners van bestaande leden aangenomen. Een partner waarmee een bestaand lid ongetrouwd, duurzaam samenwoont kan geen lid worden.

Daarnaast hanteert de vereniging een inkomenstoets (vijfmaal de maandhuur) om in aanmerking te komen voor een woning. Daarbij wordt uitsluitend het inkomen van een gehuwde of geregistreerde partner meegeteld bij het inkomen van het lid. Het inkomen van een partner waarmee een lid (duurzaam) samenwoont, mag niet worden meegeteld om te voldoen aan de inkomenstoets. Volgens het lid is hier sprake van onderscheid op grond van burgerlijke staat. Het bestuur van de vereniging wil de regels niet veranderen en kiest er voor om te wachten tot een afgewezen aspirant lid een klacht indient bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). Omdat mevrouw zelf als lid van de woningvereniging geen persoonlijk belang bij een oordeel heeft, kan de CGB haar verzoek niet in behandeling nemen. De CGB adviseert om het MDRA om hulp te vragen: op grond van de bepalingen in de Algemene wet gelijke behandeling kan het MDRA immers wel een oordeel van de CGB vragen.

Oordeel
De CGB oordeelt dat de woningvereniging verboden onderscheid maakt op grond van burgerlijke staat door alleen gehuwde en geregistreerd partners van leden als nieuw lid aan te nemen, en door in haar inkomenstoets voor een huurwoning uitsluitend het inkomen van gehuwden of geregistreerde partners mee te tellen.

Toelichting
Het handelen van de vereniging valt onder de bescherming van de gelijkebehandelingswetgeving.  Huisvesting is immers van wezenlijk belang voor het persoonlijk en maatschappelijke functioneren van een individu zodat niet valt in te zien dat dit buiten de bescherming van de wet zou vallen, zoals de advocaat van de woningvereniging tijdens de zitting van de CGB heeft bepleit.

Uit de verenigingsvrijheid vloeit voort dat een vereniging in beginsel vrij is te bepalen wie zij toelaat tot het lidmaatschap. De eisen voor lidmaatschap mogen echter geen onderscheid maken op de gronden die door de wet worden beschermd, zoals burgerlijke staat. De vereniging maakt in haar lidmaatschapseisen en de inkomenstoets die zij hanteert onderscheid tussen gehuwd/ geregistreerde partners enerzijds en niet gehuwd/geen geregistreerd partnerschap anderzijds. Er is sprake van verboden onderscheid op grond van burgerlijke staat.

Het volledige oordeel van de CGB kunt u vinden op de website CGB.nl, oordeelnummer 2012-41.

-A +A